zondag 11 januari 2026
De sterkste versie van de kernpremisse van het semantisch argument (II)
In deze bijdrage sprak ik over de epistemisch sterkste versie van de kernpremisse van mijn semantisch argument. Maar de versie die ik daar presenteerde is in feite niet daadwerkelijk de epistemisch allersterkste versie van de kernpremisse. De epistemisch werkelijk sterkste versie luidt als volgt: Als in de actuele wereld twee begrippen ad infinitum extensioneel samenvallen op alle betekenisconstitutieve conceptuele decompositieniveaus, dan vallen de extensies van beide begrippen noodzakelijk samen. De extensies van beide begrippen vallen dan dus in alle metafysisch mogelijke werelden samen. Deze versie van de kernpremisse is inderdaad epistemisch sterker. Want de consequent ervan is logisch zwakker dan de consequent van de premisse zoals gepresenteerd in genoemde bijdrage, zodat bovenstaande versie meer waarschijnlijk waar is. En de consequent is logisch zwakker omdat de extensies van identieke begrippen noodzakelijk in alle mogelijke werelden samenvallen, terwijl omgekeerd twee begrippen waarvan de extensies in alle mogelijke werelden samenvallen niet noodzakelijk identiek hoeven te zijn.
zaterdag 10 januari 2026
De sterkste versie van de kernpremisse van het semantisch argument
De epistemisch sterkste versie van de kernpremisse van mijn semantisch argument luidt als volgt: Als in de actuele wereld twee begrippen ad infinitum extensioneel samenvallen op alle betekenisconstitutieve conceptuele decompositieniveaus, dan gaat het om dezelfde begrippen. Dit is een plausibele premisse. Zo redeneren we in andere gevallen immers ook. In andere domeinen is identificatie van twee entiteiten methodologisch de norm zodra volledige structurele overlap is vastgesteld en het poneren van een heimelijk verschil geen verklarende rol speelt en dus geen verklarend werk verricht. Wanneer twee natuurkundige beschrijvingen op alle schalen voor wat betreft hun relationele betrekkingen en voorspellingen samenvallen, worden zij als beschrijvingen van hetzelfde systeem geïdentificeerd. Evenzo geldt in de biologie dat wanneer twee soorten genetisch, morfologisch, functioneel en evolutionair samenvallen, zij niet als verschillende soorten worden beschouwd maar als één en dezelfde soort. In zulke gevallen geldt het poneren van een verborgen verschil terecht als methodologisch inadequaat. Het is anders gezegd een epistemische deugd om geen verschil zonder merkbaar verschil te poneren. En er is geen reden waarom betekenis een uitzondering zou vormen. Ook in het geval van volledige extensionele overlap van twee concepten op alle niveau's van conceptuele decompositie is het aannemen van een of ander onwaarneembaar betekenisverschil tussen beide concepten zonder verklarende functie epistemisch onverdedigbaar. En dus is het alleszins redelijk om te concluderen dat beide concepten identiek zijn, hetgeen precies is wat de sterkste versie van mijn kernpremisse stelt. Iedere poging om toch onderscheidbaarheid tussen beide concepten te vestigen, lijkt onvermijdelijk extra betekenisstructuur binnen te smokkelen die de volledige ad infinitum extensionele overlap van beide concepten doorbreekt. Een dergelijke poging moet dus falen, wat de plausibiliteit van de kernpremisse benadrukt.
Kants vrije en aanhangende schoonheid
Als bij Kant de esthetische oordeelskracht volledig bepaald zou worden door het standpunt van de smaak als belangeloos welbehagen, voortkomend uit het vrije spel van de kenvermogens, dan zou het zuivere begripsloze smaakoordeel het primaat hebben boven het intellectualistische, geïnteresseerde, aan een begrip hangende smaakoordeel. Het zuivere smaakoordeel is immers volledig vrij en onvoorwaardelijk, omdat het niet betrokken is op begrippen. Het als schoon ervaren object bevalt 'op zich' en veroorzaakt dus belangeloos welbehagen los van enige begrippelijkheid. Dit is wat telt als het vrije belangeloze gevoel van welbehagen allesbepalend is. De zuivere schoonheid vormt zo de kern of essentie van het smaakoordeel en daarmee van de esthetische oordeelskracht. De aanhangende schoonheid houdt daarentegen ook rekening met het begrip omdat het object onder een bepaald begrip wordt beschouwd. Doordat het uitziet naar een begrip is het niet volledig vrij, onvoorwaardelijk en zuiver. Wanneer het standpunt van de smaak als vrij, belangeloos welbehagen allesbepalend is, dient aanhangende schoonheid dus gewaardeerd te worden als door het begrip vertroebelde en beknotte schoonheid. Aanhangende schoonheid moet dan ten opzichte van zuivere schoonheid begrepen worden als beperking of inperking. De zuivere schoonheid, dat wat zonder begrip bevalt, zou dan als de eigenlijke schoonheid gelden. Maar zo is het voor Kant niet. De maatstaf van de smaak, van het belangeloze vrije welgevallen, is volgens Kant voor de esthetische oordeelskracht vooral voorwaardelijk en niet allesbepalend. Het is anders gezegd noodzakelijk, maar niet voldoende. Dit blijkt met name wanneer we ons meer specifiek richten op zijn denken over de kunst. Kunst betreft volgens Kant een schepping van het genie en het genie schept door het uitdrukken van esthetische ideeën die veel te denken geven. Dit laat zich lezen als een erkenning dat het voor wat betreft de kunst ook gaat om de vraag hoe betekenisvol, rijk en levendig het vrije belangeloze spel tussen verstand en verbeelding uiteindelijk is. Het spel moet in het geval van kunst anders gezegd productief zijn. Het moet resulteren in een intensivering van het levensgevoel door een verlevendiging van de kenvermogens. Maar dan zou zelfs betoogd kunnen worden dat specifiek voor door het genie voortgebrachte kunst aanhangende intellectuele schoonheid uiteindelijk het primaat heeft boven vrije zuivere begripsloze schoonheid. Want aanhangende schoonheid betreft schoonheid waarbij het verstand de verbeeldingskracht productief laat zijn en stimuleert door het aanreiken of suggereren van begrippen om vrij en belangeloos mee te spelen. Bovendien doet aanhangende schoonheid historisch-fenomenologisch hoe dan ook meer recht aan het smaakbegrip omdat, zoals Gadamer in Waarheid en Methode betoogt, smaak altijd een beoordeling vanuit een betekenisvolle context betreft, dus concreet gericht is op de gehele leefwereld in plaats van abstract op slechts één geïsoleerd object, terwijl het zuivere schoonheidsoordeel volkomen begripsloos en dus geheel contextloos is.
Bestaat interstatelijk recht?
Internationaal recht ontleent zijn kern historisch en structureel aan recht tussen staten. Zonder interstatelijk recht geen internationaal recht. Bestaat interstatelijk recht in positief rechtelijke zin? Een positieve rechtsorde tussen staten is onmogelijk zonder een stabiele soeverein met geloofwaardige en effectieve sanctiemacht. Positief interstatelijk recht bestaat alleen waar een beslissingsmacht bestaat die dit interstatelijk recht structureel kan handhaven en afdwingen. Een dergelijke wereldsoeverein bestaat echter niet. Daarvoor zitten de supermachten van deze wereld eenvoudigweg onvoldoende op één lijn. En dus moet de sobere conclusie luiden dat in ontologische zin positief interstatelijk recht niet bestaat of op z’n minst dermate onvolledig bestaat dat niet in eigenlijke zin over positief recht gesproken kan worden. Net zoals volgens Aristoteles een geamputeerde hand in eigenlijke zin geen hand is. Een beroep op interstatelijk recht om specifieke handelingen van staten ten opzichte van andere staten te veroordelen, is dan ook ontologisch problematisch. Een dergelijk beroep gaat er immers vanuit dat interstatelijk positief recht daadwerkelijk of in elk geval in voldoende mate bestaat. Zolang hiervan geen of onvoldoende sprake is, is voor een dergelijke veroordeling alléén een beroep op een morele orde mogelijk. Een orde die naar haar wezen het positieve recht transcendeert en uiteindelijk niet is gegrond in menselijke of statelijke macht, maar eerder geestelijk of spiritueel in de grond van het bovenmenselijke zijn zelf.
Labels:
interstatelijk recht,
morele orde,
rechtsorde
donderdag 8 januari 2026
Retorisch-humanisme en andere tradities
De klassieke retorische wijsheidstraditie van het humanisme staat tegenover de klassieke wetenschappelijke kennisopvatting van de schoolgeleerdheid zoals het praktische tegenover het theoretische, het feilbare tegenover het dogmatische, het waarschijnlijke tegenover het ware, het particuliere tegenover het universele, het concrete tegenover het abstracte, het contextuele tegenover het formele, het intuïtieve tegenover het discursieve, het zedelijke tegenover het waardeneutrale en het contingente tegenover het noodzakelijke.De tegenstelling tussen enerzijds gezond verstand of sensus communis en anderzijds spitsvondige speculatie wordt geïmpliceerd door de genoemde tegenstellingen. Het gezond verstand correspondeert met het intuïtieve, contextuele en praktische oordeelsvermogen dat zich oriënteert op concrete situaties en morele relevantie. Speculatie daarentegen verwijst naar theoretisch, abstract en discursief denken dat losgemaakt is van de onmiddellijke leefwereld. De tegenstelling tussen gezond verstand en speculatie ligt dus reeds besloten in het reeds gemaakte onderscheid tussen intuïtieve wijsheid en theoretisch-discursieve rationaliteit.
Bovendien kan ook de tegenstelling tussen enerzijds het gebruik van precieze, exact gedefinieerde, starre, gegeven oftewel bepaalde begrippen en anderzijds het werken met meer open, onbepaalde begrippen begrepen worden als een tegenstelling die voortkomt uit de reeds gemaakte tegenstellingen. Strikt gedefinieerde begrippen passen bij een formele, abstracte en universele kennisopvatting die streeft naar sluitendheid en zekerheid. Meer open, vloeibare oftewel onbepaalde begrippen ontlenen hun betekenis daarentegen juist aan context, praktische ervaring en esthetisch gevoel. Deze begrippen veronderstellen tact en smaak in het oordelen en laten ruimte voor nuance en situationaliteit. Het gaat hier dus evenmin om een aanvullende tegenstelling, maar om een verdieping van het verschil tussen praktische wijsheid en theoretische rationaliteit.
Zo beschouwd staat het retorisch-humanisme dus tegenover het verabsoluteren van het Platoonse filosofisch-dialectische waarheidsuniversalisme, het dogmatische Stoïcijnse redegebruik, de middeleeuwse scholastiek oftewel "de school", de mathematisch-empirische natuurwetenschap van de zeventiende eeuw, de hedendaagse natuurwetenschappelijke methode, de analytische filosofie, en de traditie van de metafysica vanaf Plato tot in onze tijd. Hoe uiteenlopend deze tradities onderling ook zijn, toch staat iedere poging om eén ervan te verabsoluteren tegenover de retorische wijsheidstraditie die ten grondslag ligt aan het humanisme.
Labels:
dialectiek,
humanisme,
metafysica,
Retorica,
schoolgeleerdheid,
wetenschap
zondag 4 januari 2026
Dieren, harten, nieren en sterren
Beschouw de concepten uitgedrukt door ‘witte nierdragende dieren’ en ‘witte hartdragende dieren’. Betreft dit een tegenvoorbeeld tegen de kernpremisse van mijn semantisch argument volgens welke gelijkheid van verwijzingsverzameling gelijkheid van betekenis impliceert? De verwijzingsverzameling van ‘witte nierdragende dieren’ is niet de verzameling van alle witte dingen en alle nierdragende dieren. En de verwijzingsverzameling van witte hartdragende dieren is niet de verzameling van alle witte dingen en alle hartdragende dieren. Dit is maar goed ook, omdat anders de verwijzingsverzamelingen van deze twee verschillende concepten gelijk zou zijn en de kernpremisse inderdaad weerlegd zou zijn. In plaats daarvan is de verwijzingsverzameling van 'witte nierdragende dieren' de verzameling van alle witte dingen, alles wat een nier draagt en alle dieren, terwijl de verwijzingsverzaming van witte hartdragende dieren de verzameling is van alle witte dingen, alles wat een hart draagt en alle dieren. Deze verwijzingsverzamelingen zijn verschillend, omdat er niet-witte medische bewaarappartuur bestaat dat een hart en geen nier bevat en in die zin een hart en geen nier draagt en omgekeerd. Meer in net algemeen zijn er niet-witte artefacten die een hart maar geen nier bevatten oftewel dragen en omgekeerd. We verkrijgen zo dus geen tegenvoorbeeld tegen de kernpremisse. Verder levert 'nier-dier' geen correct concept op omdat 'nier-dier' niet duidelijk maakt welke relatie tussen het dier en de nier bedoeld is. Het is onbepaald of het gaat om bezit, functie of een ander verband, terwijl het Nederlands zulke eigenschappen normaal uitdrukt als dieren met een nier. Hierdoor blijft 'nier-dier' conceptueel onzuiver. Het paar 'wit nier-dier' en 'wit hart-dier', met als verwijzingsverzamelingen respectievelijk de verzameling van alle witte dingen en alle nier-dieren en de verzameling van alle witte dingen en alle hart-dieren, levert dus geen tegenvoorbeeld tegen de kernpremisse op. En hetzelfde geldt uiteraard voor het paar ‘witte dieren met een hart’ en ‘witte dieren met een nier’. Niet omdat het hier niet om correcte concepten zou gaan, want dat gaat het natuurlijk wel, maar omdat de verwijzingsverzamelingen netjes verschillend zijn. Deze zijn immers enerzijds de verzameling van alle witte dingen, alle nieren en alle dieren en anderzijds de verzameling van alle witte dingen, alle harten en alle dieren.Maar wat te zeggen van 'gele morgenster' en 'gele avondster'? De verwijzingsverzameling van 'gele morgenster' is de verzameling van alle gele dingen en de morgenster. De verwijzingsverzameling van 'gele avondster' is de verzameling van alle gele dingen en de avondster. Deze verzamelingen zijn gelijk omdat de morgenster de avondster is. Toch zijn de twee begrippen verschillend. Is hier dan sprake van een tegenvoorbeeld voor de kernpremisse? Dit is evenmin het geval. In de eerste plaats zijn 'morgenster' en 'avondster' ofwel namen ofwel uniekmakende expressies en dus geen concepten. En zelfs als het concepten zijn, gaat het om concepten waarvan de ermee corresponderende eigenschappen, morgenster-zijn en avondster-zijn, relationele in plaats van intrinsieke eigenschappen betreffen, net zoals bijvoorbeeld de eigenschap zich-ten-noorden-van-Parijs-bevinden. Dit betekent dat beide concepten buiten de scope van de kernpremisse vallen en er dus geen tegenvoorbeeld voor mijn semantisch argument ontstaat.
zaterdag 3 januari 2026
Ontologische spelniveaus
Spel kent bij Gadamer verschillende ontologische niveaus. In de meest elementaire zin is spel een heen-en-weer gaande beweging die wordt gekenmerkt door regels, herhaling en dynamiek, zonder dat er sprake is van een opdracht of normativiteit. Een voorbeeld hiervan is een lichtspel, kleurenspel of waterspel. Een voorbeeld van een menselijk spel is het opdrachtloos spelen met een bal. In dit geval is er wel sprake van verschijnen en presentie, maar nog geen zelfuitbeelding of mimetische uitbeelding. Laat staan dat er sprake is van de noodzaak van een publiek of het geschieden van waarheid.Zodra het spel een opdracht krijgt, verandert zijn aard wezenlijk. Vanaf dit punt is er alleen nog sprake van menselijk spel. Het spel wordt nu normatief: er is sprake van slagen en mislukken, van iets spelen. Het spel brengt zichzelf als spel tot verschijning. Deze wijze van verschijnen kan worden aangeduid als zelfuitbeelding. In zelfuitbeelding verschijnt het spel niet als iets anders dan wat het is, maar als dit spel zelf, in zijn regels, opdrachten en mogelijke uitkomsten. De spelers gaan op in het uitvoeren van de opdracht, waardoor het spel zich voltrekt en zichtbaar wordt als spel. Er is hierbij nog geen mimetische afstand en geen “iets-als-iets”-structuur. Zelfuitbeelding is daarom een pre-representatieve vorm van verschijnen: het spel toont zichzelf, maar beeldt nog niets uit en draagt nog geen betekenis in de zin van herkenning of waarheid. Een voorbeeld hiervan is een balspel met de opdracht een paal te raken.
Uitbeelding in eigenlijke zin ontstaat pas wanneer het spel naast een opdracht ook een “iets-als-iets”-structuur krijgt. Dan spreken we van mimetische uitbeelding. Mimetische uitbeelding is een vorm van spel waarin iets als iets anders wordt getoond. Zij veronderstelt een mimetische afstand: het uitgebeelde is aanwezig in en door de uitbeelding, maar is er niet eenvoudigweg identiek mee. In mimetische uitbeelding is het spel niet langer louter zelfuitbeelding, maar krijgt het een betekenisstructuur die berust op herkenning en verstaan. Daarbij hoeft nog geen waarheid in strikte zin te gebeuren en is een toeschouwer nog niet constitutief vereist. Een klassiek voorbeeld is het treintje spelen door kinderen.
Wanneer mimetische uitbeelding gepaard gaat met uitbeelden voor een publiek, ontstaat het schouwspel. De uitbeelding is hier niet langer volledig intern, maar structureel gericht op toeschouwers. De aanwezigheid van een publiek behoort nu tot de constitutie van het spel. Een Hollywood-blockbuster is hiervan een typisch voorbeeld: er is mimetische uitbeelding en 'uitbeelden voor', maar zonder dat noodzakelijk waarheid geschiedt.
Tenslotte is er de vorm waarin mimetische uitbeelding en 'uitbeelden voor' samenvallen met waarheid. In dit geval gaat het om kunst en cultus. Hier is de uitbeelding gericht op het tonen van iets in zijn wezen. Waarheid gebeurt niet bijkomstig, maar vormt het eigenlijke zijn van het spel. In kunst verschijnt het wezen veelal nog in afstand; in de cultus wordt het daadwerkelijk tegenwoordig gesteld. In beide gevallen vallen spel, uitbeelding en waarheid samen.
Labels:
Gadamer,
spelniveaus,
Waarheid en Methode
Abonneren op:
Reacties (Atom)
